mijn God is te veilig
`Is... is hij een mens?' vroeg Lucy.`Aslan een mens!' antwoordde meneer Bever streng. `Absoluut niet. Hij is de Koning van het woud, zeg ik je, de zoon van de grote Keizer-aan-de-andere-kant-van-de-Zee. Weten jullie dan niet wie de Koning der Dieren is? Aslan is een leeuw... de Leeuw, de grote Leeuw.'
`Ooo,' zei Susan, `ik dacht dat hij een mens was. Is dat wel... veilig? Ik vrees dat ik nogal zenuwachtig ben bij het vooruitzicht om een leeuw te ontmoeten.'
`Dat zul je zeker zijn, meisje, zeker weten,' zei mevrouw Bever; `als er iemand bestaat die voor Aslan kan verschijnen zonder knikkende knieën, dan is die persoon een stk dapperder dan jullie, of gewoon dom.'
`Dus het is niet veilig?' vroeg Lucy.
`Veilig?' antwoordde meneer Bever. `Heb je dan niet gehoord wat mevrouw Bever zei? Niemand heeft gezegd dat Hij veilig zou zijn! Natuurlijk is Hij niet veilig. Maar Aslan is goed. Hij is de Koning!'
Ik zit vast.
Vastgelopen op het grensgebied tussen mijn oude leven en het beloofde land dat God voor mij heeft. Ik zit hier al enige tijd, maar begin me sinds kort pas echt bewust te worden van mijn toestand. Ik vraag me al een tijdje af waarom er niet uitkomt wat er in me zit, waarom ik niet verder kom met mezelf, waarom mijn geestelijk leven zo gezapig is geworden, mijn relaties zo oppervlakkig. Waar is mijn passie gebleven, waarom praat ik nog zo weinig met God? Waarom zit ik hier? Hoe ben ik hier gekomen? En vooral: hoe kom ik hier weer weg?
Momenteel lees ik het boek `Your God is too safe' van Mark Buchanan. Ik kom erachter dat ik van God een afgod heb gemaakt, een slap aftreksel van wie Hij werkelijk is.
Mijn God is te veilig. Mijn God vraagt niets van me, maar Hij geeft me ook niet veel. Mijn God heeft begrip voor mijn zwakte, maar kan me er niet van verlossen. Hij maakt mij tot een afhankelijke, geestelijk lege huls, een verwende consument van religieuze ervaringen. Mijn God biedt mij een geestelijk Disneyland, een kerkelijke variant op McDonalds. Hij vindt het OK wanneer ik onvolwassen blijf, hij aait me over mijn bol en faciliteert mijn zelfmedelijden.
Hij is een aardige, maar trieste man, die wat rommelt in zijn tuintje, wat zwaait naar voorbijgangers, en verder zit hij ook veel binnen met een kruiswoordpuzzel of een DVD-tje. Mijn God is als een halfdemente oom met haar uit zijn oren en tranende ogen, die naar me knipoogt als ik weer eens onderuit ga. En dat is fijn. Hij geeft me een veilig gevoel.
Maar God is niet fijn, of aardig. God is niet veilig of gezapig.
God is een allesverterend vuur!
Hij is geen medogenloze tiran, maar ook geen glimlachende suikeroom.
Hij wekt vrees op, maar geen angst. Zoals A.W. Tozer zei: `in God vinden we een toevluchtsoord voor God.'
Alleen een God die mij vrees inboezemt, en waar ik tegelijk niet bang voor hoef te zijn, kan mij loswrikken uit dit troosteloze grensgebied waar ik wortel heb geschoten.
Deze God wil dat ik heilig ben, én Hij heeft de macht om mij heilig te maken.
`Toen kwam er een engel van de HEER. Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas’ zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ ... Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.’ Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het ’s nachts. '
Ik zie er niet uit als een held, net als Gideon. In feite zie ik vrij onbetekenend uit en ik denk ook niet zo heldhaftig over mezelf. Maar dan komt God naar me toe, en zegt: `Ik ben met je, dappere held. Ga nu dat afgodsbeeld van die veilige God, die flinterdunne, waardeloze uitvinding die aan elkaar hangt van lafheid en onnozelheid, afbreken. En bouw op de ruïne van die versterkte plaats een altaar voor de ware God.'
Veilig? Niemand heeft gezegd dat Hij veilig zou zijn! Natuurlijk is Hij niet veilig. Maar Hij is goed.
>>lees verder


















































